J’accuse!
Ze zeggen: de zon gaat onder boven Europa. Ze spreken over traditie, over verval, over waarden die verdwijnen. Maar precies in het uur dat zij hun „Avondland“ bezingen, gloeit aan de horizon een vuur—het licht van brandschriften en verbrande lichamen, niet van verheven cultuur. Niet daar, hier, op ons eigen continent, in onze tijd, zwijgt de “beschaving” wanneer honger en kogels Gaza in de nacht duwen.
Dit is geen klaagzang om een oud Europa,
dit is een aanklacht tegen een nu dat wegkijkt — waar honger als wapen wordt ingezet, waar drones het leven van kinderen uitwissen, waar geen kathedraal zo hoog is dat haar schaduw de waarheid bedekt.
Ze bewieroken zichzelf omdat de rook van bommenregens nooit optrekt, de gruwel aan het zicht onttrekkend. Terwijl de avond valt, kleurt de lucht rood van schaamte. Met honger als oorlogswapen: De kruimels van wat ooit maaltijd was, worden nu verdeeld in tentenkampen waar moeders suikerwater schenken aan hun kinderen. Gij zult niet eten! Tienduizenden die maandenlang in de schaduw van honger leven. Koortsige peuters zonder medicijnen, jonge moeders verliezen hun kind bij gebrek aan couveuse, en ziekenhuizen waar geen morfine meer rest. 2,1 miljoen mensen afgesneden van hulp; baby’s sterven aan uitdroging, ouderen aan infecties terwijl Europa zwijgt.
Ah, wat zijn ze verlicht, zo aan de kant van het licht. Terwijl drones cirkelen boven ruïnes, quadcopters fluiten laag, executeren raak. Een moeder die waterschalen vult, een kind dat puin doorzoekt—met een druk op de knop worden ze uitgewist. Ziekenwagens die met kinderhanden zwaaien, worden neergehaald voordat ze het hospitaal bereiken.
Cijfers echoën de catastrofe: 70% van meer dan 61,000 doden bestaat uit vrouwen en kinderen. Massagraven vol gebonden lichamen en levens die abrupt zijn gestopt in een schuilplaats, bij een klaslokaal, aan de eettafel.
Van kennis, van hoop blijft niets dan stof. Overlevenden graven hun geliefden in haastige graven; geen steen, geen naam, alleen de wind jaagt het stof op. De waarheid verdween gestaag in het graf van elke vermoorde journalist.
Wie hier het Avondland prijst, plaatste een spiegel in de hal der beschaving—en kijkt slechts zichzelf aan. Hun zwijgen bij tentenkampen die verwoest worden, hun relativisme wanneer witte vlaggen doorzeefd raken, hun waarden waarbij ze meten met dubbele moraal, hun dure woorden wanneer het recht vermaalt tot macht. Een permanente noodtoestand die alledaags werd. Banaal.
Zij spreken over orde, maar creëren mee chaos veraf. Alsof het ver van ons bed is? We roemen luidkeels onze geschiedenis
-wee o wee, wie die in vraag stelt- maar wissen die uit wanneer het niet goed uitkomt. “Een beloofde thuis” voor een volk zonder land. En in “het land zonder volk” werden Palestijnen gedoemd niet te bestaan. “Hun verleden passeert alleen nog in tijdelijke verschijningen- in beelden van wat zich nooit voltrok-, en wordt nooit meer teruggezien.”, zoals Walter Benjamin ons leert.
J’accuse — In de naam van elk vermoord kind, elke moeder. “Altijd iemands vader, altijd iemands kind.” En altijd maar opnieuw.
Ik beschuldig:
—Wie moraal claimt, maar het hoofd wendt als Gaza huilt.
—Wie spreekt van mensenrechten terwijl zij drones rechtvaardigen die kinderen doden.—-Wie hun handen wassen in gemakzucht, als ziekenhuizen bedolven worden en dorst opzettelijk leidt tot dood.
Laat de geschiedenis getuigen: Niet “de ander”, niet vluchtelingen, … maar dit collectieve wegkijken dompelt ons in donkere tijd die zich altijd maar blijft herhalen. Altijd net iets anders, net iets bruter en bloediger. “We gaan enkel vooruit”, roept de zelfbenoemde optimist met een glas wijn, terwijl die bewust boven de puinhopen van de realiteit uitkijkt. De droom van een andere toekomst, is omdat dingen strikt hetzelfde kunnen blijven.
Laat dit een aanklacht zijn, niet van rouw om het Avondland, maar om de moed die verdampte toen het nodig was te kijken, te spreken, te handelen. Elke avond oogst men mee, wat men zaait: duisternis. En in duisternis en schuldige onmondigheid zal het vergaan. Een beschaving als document van barbarij.
Zoals Aime Cesaire aangaf: “Een beschaving die niet in staat blijkt om de problemen op te lossen die het creëert, is een decadente beschaving. Een beschaving die ervoor kiest haar ogen te sluiten voor haar meest cruciale problemen is een getroffen beschaving. Een beschaving die haar principes gebruikt voor bedrog en bedrog is een stervende beschaving.”


